bajonet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·jo·net
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘steekwapen op een geweerloop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1682 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bajonet bajonetten
verkleinwoord bajonetje bajonetjes

Zelfstandig naamwoord

bajonet m/v

  1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
    • De meeste doden vallen door de kogels uit het geweer, niet door de bajonet op het geweer. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen