auditor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·di·tor
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Engels of van het Latijnse audire (horen) met het achtervoegsel -or [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord auditor auditoren
auditors
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

auditor m

  1. toehoorder, iemand die lessen volgt maar geen examen aflegt
  2. (beroep) uitvoerende van een audit, een controleur van een bedrijf zoals een accountant etc.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Spaans

enkelvoud meervoud
auditor auditores

Zelfstandig naamwoord

auditor m

  1. (beroep) accountant, boekhouder