auditor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·di·tor
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Engels of van het Latijnse audire (horen) met het achtervoegsel -or [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord auditor auditoren
auditors
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

auditor m

  1. toehoorder, iemand die lessen volgt maar geen examen aflegt
  2. (beroep) uitvoerende van een audit, een controleur van een bedrijf zoals een accountant etc.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Spaans

enkelvoud meervoud
auditor auditores

Zelfstandig naamwoord

auditor m

  1. (beroep) accountant, boekhouder