boekhouder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boek·hou·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van boek en de stam van houden met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord boekhouder boekhouders
verkleinwoord boekhoudertje boekhoudertjes

Zelfstandig naamwoord

boekhouder m

  1. (beroep) iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
    Mijn vader is boekhouder. Vroeger hielp ik hem vaak met het sorteren van bonnen op datum. Het was een bevredigend proces om van de kluwen papieren briefjes uit de schoenendoos uiteindelijk een georganiseerde map te maken. Helaas heeft deze kinderarbeid niet geresulteerd in enige affiniteit met administratie. Integendeel.[1]
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. NRC 25 mei 2016