auditorium

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

auditorium (2) van Tenerife
Uitspraak
Woordafbreking
  • au·di·to·ri·um
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord auditorium auditoria
auditoriums
verkleinwoord auditoriumpje auditoriumpjes

Zelfstandig naamwoord

auditorium o [2]

  1. gehoor, de gezamenlijke toehoorders
  2. gehoorzaal


Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal