auditorium

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

auditorium (2) van Tenerife
Uitspraak
Woordafbreking
  • au·di·to·ri·um
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord auditorium auditoria
auditoriums
verkleinwoord auditoriumpje auditoriumpjes

Zelfstandig naamwoord

auditorium o

  1. gehoor, de gezamenlijke toehoorders
  2. gehoorzaal
    auditorium bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)


Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl