aars

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aars
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘anus’ voor het eerst aangetroffen in 1410 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord aars aarzen
verkleinwoord aarsje aarsjes

Zelfstandig naamwoord

aars m

  1. (ook aarsgat) anus
  2. bij uitbreiding: achterwerk
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Zelfstandig naamwoord

aars

  1. verouderde spelling of vorm van års van vóór 1917
(verouderd) onbepaalde vorm genitief enkelvoud van aar, o