algemeen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·ge·meen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen algemeen algemener algemeenst
verbogen algemene algemenere algemeenste
partitief algemeens algemeners -

Bijvoeglijk naamwoord

algemeen

  1. iedereen betreffend, van iedereen
    Wij hebben al jaren een algemeen kiesrecht.
    Het is algemeen bekend dat hij een nietsnut is.
  2. geldig voor alle gevallen
    Hij is een algemene directeur.
  3. niet op de details ingaand
    Ik zal in algemene termen spreken...
enkelvoud meervoud
naamwoord algemeen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

algemeen o

  1. meestal
    Dat gaat in het algemeen wel goed.
    dat gaat over het algemeen wel goed.