afschaffen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
afschaffen afgeschaft
afschaffing
Uitspraak
Woordafbreking
  • af·schaf·fen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afschaffen


schafte af


afgeschaft


zwak -t volledig

Werkwoord

afschaffen

  1. (overgankelijk) tot een einde brengen
    Nadat de subsidie voor computers voor werknemers was afgeschaft, werden er ineens veel minder computers verkocht.
    De rookpauze is in dit bedrijf vorig jaar afgeschaft.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen