veine

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vei·ne
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord veine -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

veine v / m

  1. toevallige voorspoed, gunstig resultaat door toeval, bijvoorbeeld bij het gokken
     In 'De rokken van de ui' heeft Grass het alleen maar over een lotgenoot die Joseph heette. Dat zou een gelovige jongen zijn geweest, die grossierde in dogma’s, en in het spel veel veine had. ‘Hij gooide altijd beter dan ik’, lezen we, ‘en citeerde bij het dobbelen de heilige Augustinus alsof diens bekentenissen in het Latijn voor hem lagen.’[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

28 % van de Nederlanders;
17 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. veine op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 8 mei 2020 Weblink bron Jan Blokker “De overeenkomsten tussen Günter Grass en paus Benedictus” (26 maart 2007) op nrc.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  veine     la veine     veines     les veines  

Zelfstandig naamwoord

veine v

  1. (anatomie) ader
  2. (spreektaal) mazzel, geluk
    «Marc a de la veine lui, avec son nouveau job.»
    Marc boft met zijn nieuwe baan. [1]

Verwijzingen