aansteker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ste·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aansteker aanstekers
verkleinwoord aanstekertje aanstekertjes

Zelfstandig naamwoord

aansteker m

  1. (gereedschap) apparaatje om vuur te maken
    Een roker die geen aansteker bij zich heeft kan zijn sigaret niet aansteken.
  2. brandstichter
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Meer informatie