besmetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·smet·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van smet met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en en volgens regel 2.B[1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besmetten
/bə'smɛtə(n)/
besmette
/bə'smɛtə/
besmet
/bə'smɛt/
zwak -t volledig

Werkwoord

besmetten

  1. overgankelijk blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal en dan drager worden van de ziektekiem, gif of radiocactief materiaal.
    • Hij raakte door onverstandig seksueel gedrag besmet met het HIV-virus. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
besmetten

besmetten

  1. meervoud verleden tijd van besmetten
    • Wij besmetten. 
    • Jullie besmetten. 
    • Zij besmetten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. [1] Taalunieversum » leidraad » verdubbeling van medeklinkers