varen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| varen |
voer |
gevaren |
| klasse 6 | volledig | 1,2,3 |
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| varen |
vaarde |
gevaren |
| gemengd | volledig | 4 |
Werkwoord
Uitspraak
Woordafbreking
- va·ren
varen
- zich in een vaartuig voortbewegen
- Zij voeren in hun zeilboot rond de wereld.
- (verouderd), (Vlaanderen, Limburg) zich voortbewegen
- Hij voer ten hemel.
- (Limburg) autorijden
- (verouderd) onwennig voorkomen, niet meevallen
Uitdrukkingen en gezegden
ergens voordeel van hebben.
Ergens van afzien.
Waarom doet hij wat hij doet?
|
Opmerkingen
- De vorm vaarde is volgens TU en woordenboeken alleen mogelijk in de archaïsche bet. 4.
- Betekenis 1 heeft zich als gevolg van semantische verenging ontwikkeld uit de oudere betekenis 2 en is thans de hoofdbetekenis.
Vertalingen
2. zich voortbewegen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | varen | varens |
| verkleinwoord | varentje | varentjes |
Zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) Pteridophyta
een sporenplant
- De grond in het bos was bedekt met prachtige varens.
Vertalingen
1. een sporenplant
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Deens
Woordafbreking
- va·ren
Zelfstandig naamwoord
varen g
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van vare