varen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • va·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
varen
voer
gevaren
klasse 6 volledig 1,2,3
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
varen
vaarde
gevaren
gemengd volledig 4

Werkwoord

varen

  1. zich in een vaartuig voortbewegen
    Zij voeren in hun zeilboot rond de wereld.
  2. (verouderd), (Vlaanderen, Limburg) zich voortbewegen
    Hij voer ten hemel.
    Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde gij heen gevaren?[1]
  3. (Limburg) autorijden
  4. (verouderd) onwennig voorkomen, niet meevallen
    Het vaarde hem al te zeer; de eerste, dikke waterstraal uit de bronne was uitgeloopen, en weinig versch water uit den schoot der aarde kwam toe om haar te voeden.[2]
Opmerkingen
  • Betekenis 1 heeft zich als gevolg van semantische verenging ontwikkeld uit de oudere betekenis 2 en is thans de hoofdbetekenis.
Uitdrukkingen en gezegden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord varen varens
verkleinwoord varentje varentjes

Zelfstandig naamwoord

varen v/m

  1. (plantkunde) Pteridophyta Wikispecies-logo-en.png een sporenplant
    De grond in het bos was bedekt met prachtige varens.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. liedjeskist.nl
  2. Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1909, dbnl.org

Meer informatie


Deens

Woordafbreking
  • va·ren

Zelfstandig naamwoord

varen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van vare