verbazen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ba·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verbazen
verbaasde
verbaasd
zwak -d volledig

Werkwoord

verbazen

  1. (overgankelijk) door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
    De plotselinge belangstelling verbaasde hem.
  2. (wederkerend) zich ~ over door iets onverwachts gevoelsmatig getroffen worden
    Hij verbaasde zich over de plotselinge belangstelling.
Vertalingen