gevaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·vaar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gevaar gevaren
verkleinwoord gevaartje gevaartjes

Zelfstandig naamwoord

[A] gevaar o

  1. (groot) risico.
    Het leven is vol gevaren.
  2. valkuil, risico
    Het gevaar is dat we dan 10km moeten omrijden.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen


enkelvoud meervoud
naamwoord gevaar -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[B] gevaar o

  1. (scheepvaart) het voortdurende verkeer te water
    Op de Rijn is veel gevaar.
Verwante begrippen
Vertalingen