gevaar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·vaar
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Hoogduitse Gefahr. Verwant met het Middelhoogduitse vâr, Oudsaksische fâra, Oudnoordse fâr, Gotische ferja, Latijnse periculum, Oudgriekse πειρα.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gevaar | gevaren |
| verkleinwoord | gevaartje | gevaartjes |
Zelfstandig naamwoord
[A] gevaar o
- (groot) risico.
- Het leven is vol gevaren.
- valkuil, risico
- Het gevaar is dat we dan 10km moeten omrijden.
Synoniemen
- [1] bedreiging, nood, onheil
- [2] pechkans
Antoniemen
- [1] veiligheid
Afgeleide begrippen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gevaar | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
[B] gevaar o
- (scheepvaart) het voortdurende verkeer te water
- Op de Rijn is veel gevaar.