gevaar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·vaar
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gevaar | gevaren |
| verkleinwoord | gevaartje | gevaartjes |
Zelfstandig naamwoord
gevaar o
- (groot) risico.
- Het leven is vol gevaren.
- valkuil, risico.
- Het gevaar is dat we dan 10km moeten omrijden.
Antoniemen
Vertalingen
1. groot risico