vaart

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaart
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaart vaarten
verkleinwoord vaartje vaartjes

Zelfstandig naamwoord

vaart v/m

  1. een opgebouwde snelheid
    De auto vloog met grote vaart de bocht uit.
  2. een kanaal, een bevaarbaar gemaakte watergang
    Deze vaart verbindt het dorp met de stad.
  3. (scheepvaart) het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    Hij zit op de grote vaart.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
varen

vaart

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
    Jij vaart.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
    Hij vaart.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van varen
    Vaart!