vaart
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vaart
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van varen (met het achtervoegsel -t)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vaart | vaarten |
| verkleinwoord | vaartje | vaartjes |
Zelfstandig naamwoord
- een opgebouwde snelheid
- De auto vloog met grote vaart de bocht uit.
- een kanaal, een bevaarbaar gemaakte watergang
- Deze vaart verbindt het dorp met de stad.
- (scheepvaart) het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
- Hij zit op de grote vaart.
Hyponiemen
- bedevaart, beurtvaart, hemelvaart, luchtvaart, rondvaart, ruimtevaart, scheepvaart, walvisvaart, welvaart, zeevaart
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een opgebouwde snelheid
2. een kanaal, een bevaarbaar gemaakte watergang
3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| varen |
vaart