spits
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- spits
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | spits | spitsen |
| verkleinwoord | spitsje | spitsjes |
Zelfstandig naamwoord
- drukte in het verkeer op bepaalde tijdstippen
- Hij ging in de spits naar zijn werk.
- (sport) een voetballer die voor in het veld staat
- Van de aanvallers is de spits meestal diegene die de meeste doelpunten maakt.
- kleine, oorspronkelijke soort honden
- klein vrachtschip
Vertalingen
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | spits | spitser | spitst |
| verbogen | spitse | spitsere | spitste |
Bijvoeglijk naamwoord
spits
- in een punt uitkomend
- Hij kreeg de spitse pijl in zijn been.
- scherpzinnig.
- Ze gaf hem weer zo'n spits antwoord.
Vertalingen
scherpzinnig