spits

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spits
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van spit met het achtervoegsel -s [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord spits spitsen
verkleinwoord spitsje spitsjes

Zelfstandig naamwoord

spits v/m

  1. drukte in het verkeer op bepaalde tijdstippen
    Hij ging in de spits naar zijn werk.
  2. (sport) een voetballer die voor in het veld staat
    Van de aanvallers is de spits meestal diegene die de meeste doelpunten maakt.
  3. kleine, oorspronkelijke soort honden
  4. klein vrachtschip
  5. scherp, puntig uiteinde, punt, tip, top
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen spits spitser spitst
verbogen spitse spitsere spitste

Bijvoeglijk naamwoord

spits

  1. in een punt uitkomend
    Hij kreeg de spitse pijl in zijn been.
  2. scherpzinnig.
    Ze gaf hem weer zo'n spits antwoord.
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
spitsen

spits

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spitsen
    Ik spits.
  2. gebiedende wijs van spitsen
    Spits!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spitsen
    Spits je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl