spits

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spits
enkelvoud meervoud
naamwoord spits spitsen
verkleinwoord spitsje spitsjes

Zelfstandig naamwoord

spits v/m

  1. drukte in het verkeer op bepaalde tijdstippen
    Hij ging in de spits naar zijn werk.
  2. (sport) een voetballer die voor in het veld staat
    Van de aanvallers is de spits meestal diegene die de meeste doelpunten maakt.
  3. kleine, oorspronkelijke soort honden
  4. klein vrachtschip
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen spits spitser spitst
verbogen spitse spitsere spitste

Bijvoeglijk naamwoord

spits

  1. in een punt uitkomend
    Hij kreeg de spitse pijl in zijn been.
  2. scherpzinnig.
    Ze gaf hem weer zo'n spits antwoord.
Vertalingen