uiterste
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- ui·ter·ste
Bijvoeglijk naamwoord
uiterste
- verbogen vorm van de stellende trap van uiterst
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | uiterste | uitersten |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
uiterste
- datgene wat (tot) het verste gaat
- Hij ging tot het uiterste en won op het nippertje.