piek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • piek
enkelvoud meervoud
naamwoord piek pieken
verkleinwoord piekje piekjes

Zelfstandig naamwoord

piek m

  1. in opwaartse richting uitstekend deel
    De bergbeklimmer was nog niet op die hoge piek geweest.
  2. natuurwetenschap: een signaal dat zich uit als een maximum in een kromme
    Die twee pieken overlappen te veel om ze goed te kunnen scheiden.
  3. een muntstuk ter waarde van één gulden
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen