piek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • piek
enkelvoud meervoud
naamwoord piek pieken
verkleinwoord piekje piekjes

Zelfstandig naamwoord

piek m

  1. een buiten de omgeving uitstekend deel, vrij lang en puntig
    De bergbeklimmer was nog niet op die hoge piek geweest.
  2. (wiskunde) natuurwetenschap: een signaal dat zich uit als een maximum in een kromme
    Die twee pieken overlappen te veel om ze goed te kunnen scheiden.
  3. (techniek) een kortstondige, sterke toename (van activiteit, aantallen e.d.)
    Het uitschakelen van zo'n elektromotor geeft een fikse piek op de netspanning.
  4. (verouderd) een muntstuk ter waarde van één gulden
  5. (sport) een (tijdelijk) optimale vorm waarin een uitzonderlijke prestatie kan worden geleverd
    De piek moet er bij de finale zijn, niet eerder.
  6. een wapen dat bestond uit een dunne stok met aan het uiteinde een metalen punt
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
pieken

piek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieken
    Ik piek.
  2. gebiedende wijs van pieken
    Piek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieken
    Piek je?
    Ik piek op de verkeerde dag.