piek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- piek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | piek | pieken |
| verkleinwoord | piekje | piekjes |
Zelfstandig naamwoord
piek m
- in opwaartse richting uitstekend deel
- De bergbeklimmer was nog niet op die hoge piek geweest.
- natuurwetenschap: een signaal dat zich uit als een maximum in een kromme
- Die twee pieken overlappen te veel om ze goed te kunnen scheiden.
- een muntstuk ter waarde van één gulden