spit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spit
1 enkelvoud meervoud
naamwoord spit speten, spitten
verkleinwoord spitje spitjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord spit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

spit o

  1. een draaien staak waarop men vlees of een geslacht dier spiets en boven of naast een hittebron roostert
    Ze had een lekker kippetje aan het spit gebraden.
  2. (medisch) hevige lage rugpijn
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
spitten

spit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van spitten
  2. gebiedende wijs van spitten


Engels

vervoeging
onbepaalde wijs to spit
he/she/it spits
verleden tijd spitted
voltooid
deelwoord
spitted
onvoltooid
deelwoord
spitting
gebiedende wijs spit

Werkwoord

spit

  1. spugen
enkelvoud meervoud
spit spits

Zelfstandig naamwoord

spit

  1. spit, braadspit