telefoneren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·le·fo·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
telefoneren
/ˌtelefoˈneːrən/
telefoneerde
/ˌtelefoˈneːrdə/
getelefoneerd
(NL) /ɣəˌtelefoˈneːrt/
(VL) /ʝəˌtelefoˈneːrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

telefoneren

  1. (inergatief) een telefoon gebruiken
    Hij telefoneert urenlang met vrienden.
Synoniemen
Vertalingen