omringen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·rin·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| omringen |
omringde |
omringd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
omringen
- (overgankelijk) aan alle kanten omgeven
- Hij werd omringd door zijn vijanden.