raken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ra·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
raken
raakte
geraakt
zwak -t volledig

Werkwoord

[A] raken (voltooid deelwoord met 'heeft')

  1. (overgankelijk) een klap, schot of stoot toebrengen
    Hij raakt de paal met zijn hand/met de bal.
  2. (overgankelijk), (figuurlijk) emoties opwekken
    Die grootmoedige houding raakt me.
Synoniemen
Antoniemen
  • [1]: missen (Hij miste de paal met zijn hand/met de bal)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

[B] raken (voltooid deelwoord met 'is')

  1. (ergatief) in een bepaalde toestand of situatie komen
    Dit is in de vergetelheid geraakt.
  2. (hulpwerkwoord) maakt een ergatieve constructie met een bijvoeglijk naamwoord of voltooid deelwoord
    Hij is daardoor verlamd geraakt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: in een slip raken
Omstreeks kwart over vijf raakte op de A58 een auto tijdens onweer en een hagelbui in een slip bij de afslag Heinkenszand.
  • [1]: in paniek raken
Voor het strand raakte de vrouw in paniek toen ze de rubberboot door de hoge golven niet meer onder controle had.}}
Vertalingen

Werkwoord

[C] raken (voltooid deelwoord met 'heeft')

  1. (overgankelijk)(verouderd) harken
  2. (overgankelijk)(verouderd) poken
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

raken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord raak


Noors

Woordafbreking
  • ra·ken
Naar frequentie 164674

Zelfstandig naamwoord

raken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rake
Schrijfwijzen