ontroeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| ontroeren | ontroerend |
| ontroering | ontroerd |
Uitspraak
Woordafbreking
- ont·roe·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ontroeren |
ontroerde |
ontroerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
ontroeren
- (overgankelijk) gevoelens van medeleven, vertedering of getroffenheid oproepen
- Onwillekeurig werd hij ontroerd door de aanhankelijkheid waarmee het kind hem begroette.