hark

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Hark

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord hark harken
verkleinwoord harkje harkjes
Woordafbreking
  • hark

Zelfstandig naamwoord

hark v/m

  1. (gereedschap) tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
  2. iemand die zich stijf gedraagt
    Wees niet zo'n hark en stel je eens wat flexibeler op!
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
harken

hark

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harken
    Ik hark.
  2. gebiedende wijs van harken
    Hark!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harken
    Hark je?


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord hark harks

Zelfstandig naamwoord

hark

  1. hark