hark
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hark | harken |
| verkleinwoord | harkje | harkjes |
Woordafbreking
- hark
Zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
- iemand die zich stijf gedraagt
- Wees niet zo'n hark en stel je eens wat flexibeler op!
Vertalingen
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| harken |
hark
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harken
- Ik hark.
- gebiedende wijs van harken
- Hark!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harken
- Hark je?
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hark | harks |
Zelfstandig naamwoord
hark