belanden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·lan·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van landen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belanden
belandde
beland
zwak -d volledig

Werkwoord

belanden

  1. (ergatief) min of meer bij toeval op een bepaalde plaats geraken
    Hij struikelde en belandde midden in de brandnetels.
  2. (ergatief), (scheepvaart) met het schip onverhoeds aan land geraken
    De zware storm deed ze op een onbewoond eiland belanden.
Synoniemen
Vertalingen