pil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pil
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pil pillen
verkleinwoord pilletje pilletjes

Zelfstandig naamwoord

pil v [2] [3]

  1. (farmacologie) (eigenlijk:) een hoeveelheid werkzame stof met een bindmiddel in een bolletje gedraaid
    In de westerse wereld worden heden ten dage geen echte pillen meer verstrekt
  2. (farmacologie) (bij uitbreiding:) elke vorm van medicament die in vaste vorm oraal wordt ingenomen zij het tablet, dragee, capsule of iets anders
    Een huisdier een pil geven is vaak geen makkelijk karwei.
  3. bepaald oraal voorbehoedmiddel, anticonceptiepil, ('de pil')
    Zij was al op haar dertiende aan de pil.
  4. (figuurlijk) dik boek
    Deze roman is een pil van ruim 400 bladzijden.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal

Werkwoord

vervoeging van
pillen

pil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pillen
    Ik pil.
  2. gebiedende wijs van pillen
    Pil!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pillen
    Pil je?

Meer informatie


Indonesisch

Woordafbreking
  • pil
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

pil

  1. (medisch) pil
Schrijfwijzen