koning
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: koning (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈkonɪŋ/, /ˈkoʊ̯nɪŋ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈkoːnɪŋ/
Woordafbreking
- ko·ning
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | koning | koningen |
| verkleinwoord | koninkje | koninkjes |
Zelfstandig naamwoord
koning m
- (regering)(adel) het mannelijk hoofd van een koninkrijk
- een speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
- (schaak) het stuk dat, wanneer het verslagen wordt, tot direct verlies leidt
- iemand die met koningschieten de laatste van de boom schiet
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
- koninklijk, koninkrijk, koningsalbatros, koningsappel, koningsarend, koningsas, koningsgezind, koningsmantel, koningshof, koningshuis, koningsketting, koningskind, koningsmaal, koningsmoord, koningsoord, koningswater, koningszetel
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
|
De klant is koning.
In het land der blinden is eenoog koning.
|
Vertalingen
1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
|
|
2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | koning | konings |
Zelfstandig naamwoord
koning