koning
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ko·ning
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | koning | koningen |
| verkleinwoord | koninkje | koninkjes |
Zelfstandig naamwoord
koning m
- (regering) het mannelijk hoofd van een koninkrijk.
- een speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt.
- (schaak) het stuk dat, wanneer het verslagen wordt, tot direct verlies leidt.
Vertalingen
1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
|
|
2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| koning | konings |
Zelfstandig naamwoord
koning