koning

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·ning
enkelvoud meervoud
naamwoord koning koningen
verkleinwoord koninkje koninkjes

Zelfstandig naamwoord

koning m

  1. (regering)(adel) het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. een speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
  3. (schaak) het stuk dat, wanneer het verslagen wordt, tot direct verlies leidt
  4. iemand die met koningschieten de laatste van de boom schiet
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.



Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord koning konings

Zelfstandig naamwoord

koning

  1. koning