gelijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /ɣə'lɛɪk/
Woordafbreking
- ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
- Van Germaans *galikaz, vanwaar ook Gotisch 𐌲𐌰𐌻𐌴𐌹𐌺𐍃 (galeiks), Angelsaksisch ġelīc, Oudhoogduits gilīh.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gelijk | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
gelijk o
- juistheid, recht.
- Hij heeft gelijk, het is mijn schuld.
Vertalingen
Bijvoeglijk naamwoord
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | gelijk | gelijker | gelijkst |
| verbogen | gelijke | gelijkere | gelijkste |
gelijk
- met elkaar overeenstemmend.
- Gelijke monniken, gelijke kappen.