gelijk

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
  • IPA: /ɣə'lɛɪk/
Woordafbreking
  • ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelijk -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gelijk o

  1. juistheid, recht.
    Hij heeft gelijk, het is mijn schuld.
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gelijk gelijker gelijkst
verbogen gelijke gelijkere gelijkste

gelijk

  1. met elkaar overeenstemmend.
    Gelijke monniken, gelijke kappen.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen