gelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelijk -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gelijk o

  1. juistheid, recht
    Hij heeft gelijk, het is mijn schuld.
Uitdrukkingen en gezegden
  • gelijk hebben
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gelijk gelijker gelijkst
verbogen gelijke gelijkere gelijkste

Bijvoeglijk naamwoord

gelijk

  1. met elkaar overeenstemmend
    Gelijke monniken, gelijke kappen.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

gelijk

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    gelijkstaan: de wedstrijd stond gelijk.
Uitdrukkingen en gezegden
  • gelijk zijn aan
Vertalingen