gelijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
- Van Germaans *galikaz, vanwaar ook Gotisch 𐌲𐌰𐌻𐌴𐌹𐌺𐍃 (galeiks), Angelsaksisch ġelīc, Oudhoogduits gilīh
- Naamwoord van handeling van lijken met het voorvoegsel ge-
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gelijk | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
gelijk o
- juistheid, recht
- Hij heeft gelijk, het is mijn schuld.
Uitdrukkingen en gezegden
- gelijk hebben
Vertalingen
gelijk hebben
|
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | gelijk | gelijker | gelijkst |
| verbogen | gelijke | gelijkere | gelijkste |
Bijvoeglijk naamwoord
gelijk
- met elkaar overeenstemmend
- Gelijke monniken, gelijke kappen.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. met elkaar overeenstemmend
Bijwoord
gelijk
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- gelijkstaan: de wedstrijd stond gelijk.
Uitdrukkingen en gezegden
- gelijk zijn aan
Vertalingen
gelijk zijn aan
|