recht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • recht
enkelvoud meervoud
naamwoord recht rechten
verkleinwoord rechtje rechtjes

Zelfstandig naamwoord

recht o

  1. (juridisch) het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
    Volgens het recht mag ik hier niet lopen, maar ik doe het toch.
  2. rechtvaardigheid, gerechtigheid
  3. zaak of omstandigheid die men mag opeisen en als zodanig het tegenovergestelde van een plicht
    bij elke transactie hebben beide partijen rechten en plichten
Vaste voorzetsels
  • recht hebben op
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen recht rechter rechtst
verbogen rechte rechtere rechtste

Bijvoeglijk naamwoord

recht

  1. niet krom
    Ik was op zoek naar een rechte stang, maar kon die niet vinden.
  2. niet scheef
    Het schilderij moest nog recht gehangen worden.
  3. (van een hoek) van 90°
    Door vervolgens een rechte hoek naar links te maken kwamen we weer precies op het startpunt uit.
  4. juist
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Werkwoord

vervoeging van
rechten

recht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van rechten
  2. gebiedende wijs van rechten

Meer informatie