gelijkstaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lijk·staan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gelijkstaan
stond gelijk
gelijkgestaan
klasse 6 volledig

Werkwoord

gelijkstaan

  1. (inergatief) ~ aan op hetzelfde neerkomen
    Dat stond vroeger gelijk aan een doodvonnis.
  2. (inergatief) (sport) een gelijk aantal punten hebben in een wedstrijd
    En met dat onverwachte doelpunt stonden de rivalen weer gelijk.