gelijkstaan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·lijk·staan
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gelijkstaan |
stond gelijk |
gelijkgestaan |
| klasse 6 | volledig | |
Werkwoord
gelijkstaan
- (inergatief) ~ aan op hetzelfde neerkomen
- Dat stond vroeger gelijk aan een doodvonnis.
- (inergatief) (sport) een gelijk aantal punten hebben in een wedstrijd
- En met dat onverwachte doelpunt stonden de rivalen weer gelijk.