dood

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dood
enkelvoud meervoud
naamwoord dood -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dood v/m

  1. (palindroom) de toestand na het leven [1]
    Vele mensen vrezen de dood.
  2. (letterkunde) skeletvormige figuur met zeis die bovengenoemde toestand personifieert en op zoek is naar het volgende slachtoffer
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen dood
verbogen dode

Bijvoeglijk naamwoord

dood

  1. niet meer levend [2]
    Onze dode kat werd waardig begraven.
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
doden

dood

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doden
    Ik dood.
  2. gebiedende wijs van doden
    Dood!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doden
    Dood je?


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord dood -

Zelfstandig naamwoord

dood

  1. (palindroom) dood
    «'n Natuurlike dood sterwe.»
    Een natuurlijke dood sterven.
stellend attributief
dood dooie

Bijvoeglijk naamwoord

dood

  1. dood
  2. overleden, gestorven, omgekomen
    «Minstens 20 mense is in 'n vliegtuigongeluk in die Demokratiese Republiek van die Kongo dood
    Ten minste 20 mensen zijn bij een vliegtuigongeluk in de Democratische Republiek van de Congo omgekomen.