attributief

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • at·tri·bu·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van attributie met het achtervoegsel -ief
  • afgeleid van het Franse attributif of daarvoor van het Latijnse 'attributivum'
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen attributief attributiever attributiefst
verbogen attributieve attributievere attributiefste

Bijvoeglijk naamwoord

attributief

  1. toekennend, toeschrijvend, toedelend
  2. de eigenschap hebbend van een attribuut of fungerend als attribuut
  3. (taalkunde) bijvoeglijke bepaling, attribuut (woordgroep die een eigenschap definieert van een gerelateerd element)
    Een groot huis.
    In deze zin staat groot vóór huis, dus is groot hier attributief.
    Het huis is groot.
    In deze zin staat groot ná huis, dus is groot hier predicatief.
Antoniemen
Vertalingen

Meer informatie