opzet
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·zet
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | opzet | opzetten |
| verkleinwoord | opzetje | opzetjes |
Zelfstandig naamwoord
opzet
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | opzet | - |
| verkleinwoord | - | - |
- v/m de manier waarop aan iets vorm gegeven is
- De opzet van deze procedure laat veel te wensen over.
- o het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
- Was het werkelijk opzet dat zij aangereden werd?
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| opzetten |
opzet