oogmerk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·merk
enkelvoud meervoud
naamwoord oogmerk oogmerken
verkleinwoord oogmerkje oogmerkjes

Zelfstandig naamwoord

oogmerk o

  1. een bedoeling
    Hij opende een restaurant met het oogmerk rijk te worden.