cel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- cel
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Latijnse cella.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | cel | cellen |
| verkleinwoord | celletje | celetjes |
Zelfstandig naamwoord
- een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
- Gevangenen wonen meestal in kleine cellen.
- een kleine ruimte (in een klooster)
- In een klooster bevinden zich cellen.
- (biologie) de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
- Iedere levensvorm heeft cellen.
- een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
Synoniemen
- [2] kloostercel, monnikscel
Verwante begrippen
- [1] gevangenis, hechtenis
- [3] celbiologie, celcyclus, celdeling, celdood, celkern, celwand, membraan
- [4] bijenraat, honingraat
Vertalingen
1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
2. een kleine ruimte (in een klooster)
3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
Meer informatie
Etruskisch
Zelfstandig naamwoord
cel