date

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • date

Werkwoord

vervoeging van
daten

date

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daten
    Ik date.
  2. gebiedende wijs van daten
    Date!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daten
    Date je?
  4. aanvoegende wijs van daten


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
date dates

Zelfstandig naamwoord

date

  1. datum
  2. afspraakje om met iemand een avondje uit te gaan
  3. (fruit) dadel


Frans

Zelfstandig naamwoord

date v

  1. datum
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen