bit
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bit
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bit | bitten |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
bit o
- een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
- De ruiter trok aan het bit om zijn rijdier van richting te doen veranderen.
- (sport) een gebitsbeschermer.
Vertalingen
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bit | bits |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
bit m
- (informatica) in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie.
- De afkorting voor bit is een kleine b.
Afkorting
Vertalingen
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Grieks
Uitspraak
- IPA: /bit/
Woordherkomst en -opbouw
- Ontleend aan het Engelse bit.
Zelfstandig naamwoord
bit o
- (informatica) bit.
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | bit | bit |
| genitief | bit | bit |
| accusatief | bit | bit |
| vocatief | bit | bit |
Synoniemen
- μπιτ
- (officieel) δυφίο, δυαδικό ψηφίο
Nynorsk
Woordafbreking
- bit
Werkwoord
bit
- tegenwoordige tijd van bite