beteugelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·teu·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van teugel met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beteugelen
beteugelde
beteugeld
zwak -d volledig

Werkwoord

beteugelen

  1. (overgankelijk) in bedwang houden, intomen
    Hij volgt therapie om zijn agressie te beteugelen.
Vertalingen