brink

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

brink in Schalkwijk
Uitspraak
Woordafbreking
  • brink
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘erf, plein’ voor het eerst aangetroffen in 1152 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord brink brinken
verkleinwoord brinkje brinkjes

Zelfstandig naamwoord

brink m [3]

  1. gemeenschappelijk grasland in het midden van een dorp
    • De brink is van oorsprong de boerengebruiksruimte waar het vee werd verzameld, om daarmee als kudde naar de gemeenschappelijke weidegronden te gaan. De brink lag dan ook van oorsprong aan de rand van het dorp (vergelijk het Engelse brink is rand). We kennen zowel de gemeenschappelijk gebruikte brinken als de brinken die slechts tot één boerderij behoorden. In de nieuwe tijd nam de bebouwing rond de brink toe, waardoor brinken zich steeds vaker binnen het dorp bevonden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
47 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen