zoomen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: zomen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoo·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels: zoom.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zoomen
zoomde
gezoomd
zwak -d volledig

Werkwoord

zoomen

  1. overgankelijk de mate van vergroting van een beeld veranderen
    • Iedere foto kan gezoomd worden maar de grenzen zijn enerzijds de beeldgrootte en anderzijds de pixelgrootte. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.