zomen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: zoomen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zomen
zoomde
gezoomd
zwak -d volledig

Werkwoord

zomen

  1. van zomen voorzien
Anagrammen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zomen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zoom

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.