aftaaien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·taai·en
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘weggaan’ voor het eerst aangetroffen in 1974 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aftaaien
taaide af
afgetaaid
zwak -d volledig

Werkwoord

aftaaien

  1. ergatief (informeel) weggaan bij een werkzaamheid, dienst e.d.
    • Nee, die zijn eergisteren al afgetaaid. 
  2. inergatief dienst of werkzaamheid opgeven
    • Er werd door velen afgetaaid. 
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
36 % van de Vlamingen.

Verwijzingen