web

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • web
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord web webben
verkleinwoord webbetje webbetjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord web
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

web o

  1. spinnenweb
  2. (informatica) netwerk ook (verkorting van) world wide web, (internet)
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl