webwinkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • web·win·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord webwinkel webwinkels
verkleinwoord webwinkeltje webwinkeltjes

Zelfstandig naamwoord

webwinkel m

  1. winkel waar men via het web (internet) producten of diensten kan kopen
    • Ruim de helft van alle Nederlandse webwinkels houdt zich niet aan de wettelijke regels die gelden voor het retour sturen van een aankoop. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen