weblink

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • web·link
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weblink weblinks
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

weblink m

  1. (informatica) een verwijzing op een webpagina naar een andere webpagina
    • Vanaf volgend seizoen krijgen de donateurs voorrang bij de voorverkoop als het om grote evenementen gaat. Zij ontvangen een speciale nieuwsbrief met weblink naar een eenmalig online verkoopkanaal dat verder voor niemand zichtbaar is. [1] 
    • De app leent zich ook prima om in teamverband aan presentaties te sleutelen. Per mail uitgenodigde collega’s kunnen de decks bekijken, bewerken of becommentariëren met een tekst of emoji, zoals een duimpje omhoog. Helemaal tevreden over je werk? Dan kan je de presentatie delen aan de hand van een weblink of converteren naar het pdf-formaat. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia 27-09-12 Topjaar voor openluchttheater
  2. De Standaard 31/01/2018 door Michel van der Ven Maak in een handomdraai een fraaie presentatie