achterdocht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·docht
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord achterdenken [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord achterdocht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

achterdocht v

  1. twijfel aan de oprechte intentie
    • Met enige achterdocht betaalden we de boete. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen