vazal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • va·zal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘leenman’ voor het eerst aangetroffen in 1220 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vazal vazallen
verkleinwoord vazalletje vazalletjes

Zelfstandig naamwoord

vazal m [3]

  1. (geschiedenis) (leenstelsel) iemand die in de middeleeuwen zijn vrije status en bezit opgaf aan een leenheer die hem in ruil hiervoor veiligheid en werk (eventueel een ambt op zijn landgoed) aanbood. De vazal verplichtte zich tot het vervullen van herendienst, en de afdracht van een deel van de oogst als hij boer was op het leen
  2. iets dat of iemand die economisch afhankelijk is
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

vazal m

  1. (historisch) vazal
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • va·zal
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Duitse Vasall

Zelfstandig naamwoord

vazal mbezield

  1. (historisch) vazal
Verbuiging


Schrijfwijzen
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie

Verwijzingen