exit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • exit
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

exit

  1. (toneel) verlaat het toneel (regie-aanwijzing over acteurs)
    • Tweede tafereel. Hetzelfde vertrek; vuur op den haard. Eufrasia, de tuinman, de boom ligt midden in de kamer. Cavatina van den tuinman, die zich verontschuldigt dat hij op Mevrouws uitdrukkelijk bevel den lievelingsboom van Mijnheer heeft moeten omhouwen en in een smeltend mineur zijne vreeze te kennen geeft voor de gevolgen. Eufrasia verzekert dat haar echtgenoot, geheel verkleumd te huis komende, verkwikt zal worden door den gloed, wanneer zij den boom in het vuur werpen, 't geen geschiedt. Tuinman exit. [3]
  2. uitgespeeld, voorbij met, over, weg
    • Ik waarschuw maar even bij dit recept. Als je eenmaal aan de joek bent, is het exit cornflakes. [4]
    • Een pistoolschot trof in een duel op den 29sten Augustus Il. te Genève Ferdinand Lasalle. De persoonlijkheid, die in het jaar 1863 geheel Duitschland in rep en roer wist te brengen, die een scherp geteekend en boeijend bedrijf wist te beslaan in het drama van den strijd der Duitsche bewegingspartij tegen von Bismarck, is voor goed weggeruimd. Exit Lasalle. Het Duitsche drama gaat weder zijn gewonen gang. [5]
enkelvoud meervoud
naamwoord exit exits
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoord

exit m

  1. (toneel) verlaten van het toneel door een acteur
    • Bij de finale verschijnt de leidende acteur van de groep als roverhoofdman, vertoont een indrukwekkende pose en maakt zijn exit (…) [6]
  2. (figuurlijk) abrupt vertrek uit het publieke leven
    • Na de exit van Usain Bolt uit de atletieksport deze zomer ontstond een wereldwijde kakofonie over de vraag wie de grootste sporter aller tijden is. [7]
  3. het weggaan, verlaten
    • De dood in deze roman betekent echter meer dan zich terugtrekken, meer dan een exit, hij verwijst ook naar het binnentreden in een hogere, transcendente orde van bestaan. [8]
    • Het Papiere terrain is te bekrompen, om 'er het wonderlyk leeven van Sr. Brandis op te ontginnen, dies zal ik zyn leevensloop verwaarloozen, (hy is de duizenste niet, geweest die ze heeft verwaarloost) om zyn Exit uit dit hobbelig dal te beschryven. [9]
  4. manier om ergens uit te komen
    • Hoofdpersoon Cheryl praat vooral met zichzelf terwijl ze door de Californische natuur zwerft, op zoek naar een exit uit haar deprimerende bestaan. [10]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
  • Brexit (rechtstreeks aan het Engels ontleend)

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse exitus.
enkelvoud meervoud
exit exits

Zelfstandig naamwoord

exit

  1. uitgang
vervoeging
onbepaalde wijs to exit
he/she/it exits
verleden tijd exits
voltooid
deelwoord
exiting
onvoltooid
deelwoord
exited
gebiedende wijs exit

Werkwoord

exit

  1. naar buiten gaan
  2. vertrekken
Afgeleide begrippen