troep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • troep
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘menigte, bende’ voor het eerst aangetroffen in 1583 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord troep troepen
verkleinwoord troepje troepjes

Zelfstandig naamwoord

troep m

  1. rommel, rotzooi
    • Wat een troep is het hier! 
     Dan raapten we alle papiertjes en troep van de grond op om zo geen enkel spoor achter te laten.[3]
  2. groep
    1. (militair) militairen, manschappen
      Hij viel met een troep van zo'n honderd soldaten op paarden dorpen binnen.
      De Spaanse troepen verschansten zich in de stad.
    2. (ongeordende) groep dieren
      Een troep verwilderde honden zwierf rond op straat.
      In het bos is een troep van vijf of zes wolven waargenomen.
      Grote troepen eenden en ganzen trokken over.
      Mensen vormen nog steeds een troep, net als apen.[4]
    3. ongeordende groep mensen
      Een troep gillende kinderen rende voorbij.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "troep" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. troep op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bioloog Patrick van Veen in BN DeStem, 1 oktober 2008
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

troep

  1. troep


Veluws

Zelfstandig naamwoord

troep

  1. troep