slump

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slump
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slump slumps
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

slump m

  1. (sport) periode met een reeks tegenvallende resultaten
    • Schuijers schaart de dip van Feyenoord onder het begrip slump, in de sportpsychologie een synoniem voor een dip. Kan een keer gebeuren, zoals onlangs in de Super Bowl met quarterback Cam Newton van de verliezende Carolina Panthers. De man die tot beste speler van het jaar was uitgeroepen, werd op het moment suprême geconfronteerd met een slump, een vormcrisis. [2]
  2. (economie) periode waarin de omzet en de winst dalen of op een laag nivau blijven
    • Het is was al geen geheim dat de enorme Heidelberg-drukpersen, die BT traditioneel in Europa verkoopt, de laatste jaren minder goed draaien. De slump in de grafische industrie is daar een voorname oorzaak van. [3]
  3. (effectenhandel) langere periode waarin koersen dalen of laag blijven
    • Met een andere Aziatische effectenbeurs zat het in dezelfde tijd ook niet lekker, hoewel het verlies daar tot nu toe 'slechts' 45 procent heeft bedragen: die van Tokio. (…) Met de economie van Japan gaat het nog steeds gesmeerd. (…) Nieuws over Irak, de olieprijs, het budgettekort, de recessie, de inflatie, de slump in Tokio en het dumpen van bank-aandelen door institutionele beleggers is nog van dien aard, dat de baisse aan de touwtjes blijft trekken. [4]
Synoniemen

Gangbaarheid

26 % van de Nederlanders;
28 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • slump
Naar frequentie 5078

Zelfstandig naamwoord

slump

  1. toeval
Uitdrukkingen en gezegden
  • av en slump
at random, bij toeval, toevallig