attaque

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • at·ta·que
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord attaque attaques
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

attaque v/m

  1. (medisch) plotseling sterk opkomende ziekteverschijnselen
    1. verlammingsverschijnselen doordat een bloedvat in de hersenen niet meer goed werkt
    2. hartaandoening doordat de bloedtoevoer naar de hartspier niet goed werkt
  2. (militair) (verouderd) geheel van krachtige gevechtshandelingen waarmee bewust een conflict wordt begonnen
  3. (figuurlijk) plotselinge scherpe kritiek
  4. (muziek) manier waarop musici het begin van een noot of muziekstuk laten te klinken
  5. (oenologie) eerste indruk van de smaak of geur
Synoniemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  attaque     l'attaque     attaques     les attaques  

Zelfstandig naamwoord

attaque m

  1. aanval

Werkwoord

vervoeging van
attaquer

attaque

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van attaquer
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van attaquer
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van attaquer